Real Life Thrillers voor het blad Esta. Interviews met jonge vrouwen, verwerkt tot semi-literaire thrillerverhalen a la Saskia Noort. Verschenen in de maand van het spannende boek, mei 2012. Verhalen over een stalker, brand in de kerstverlichting en het slachtoffer van een auto ongeluk….

De spookrijder:

Ze had ervoor gekozen dat hij al in het kamertje zou zijn en dat zij bij hem binnen zou komen. Dat voelde machtiger. Alsof ze er op het laatste  moment nog voor kon kiezen om niet naar binnen te gaan, hem niet onder ogen te komen. Andersom – zij al zittend in het kamertje en hij die binnenkwam- zou lijken op wat gebeurd was. Hij zou haar leven zomaar binnen komen knallen, zonder dat zij daar iets over te zeggen had.

Hun ontmoeting was wekenlang voorbereid. Een bemiddelaar had gesprekken met haar gevoerd. Het gesprek mocht haar op geen enkele manier verrassen. Zij moest de touwtjes van begin tot eind in handen hebben.  ‘Alleen op mijn voorwaarden’, had ze maanden eerder gezegd: ‘ik wil de totale controle hebben.’  De onmacht was achteraf het ergste geweest.

Ze stond voor de deur. Een beige deur met een nummer.  De bemiddelaar keek haar aan. ‘Gaat het? Wil je nog? Je kunt altijd terug hè.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Nee, ik wil dit.’ Nog één keer diep ademhalen. Ze pakte de deurkruk vast en opende de deur.  De zon scheen in de kamer. Een tafel.  Vier stoelen erom heen.  Hij zat op een van de stoelen, met zijn gezicht naar haar opgericht.  Een doodgewone wat oudere, goed verzorgde man. Hij knipperde snel met zijn ogen toen hij haar blik ving.  Ze stapte de kamer binnen.

‘Tuurlijk, rij toch mee’, riep ze vrolijk tegen Saskia, ‘ik zet je af in het centrum.  Met een plof gooide ze haar kantoortas op de achterbank. ‘Mooie tas’’, zei Saskia. Ze glimlachte dankbaar. Saskia zag altijd kleine dingen, zoals een nieuwe tas, een nieuw kapsel of een paar kilo minder.  De april zon scheen. Het beloofde het eerste lenteweekend te worden.  Morgen lekker de ramen en deuren opengooien, de terrasmeubels naar buiten.  Heerlijk.

‘Zal ik het dak opendoen?’, vroeg ze zich af? Haar auto had een open dakje. Ze besloot dat het nog iets te fris was. Het was wel al lekker warm maar het was het einde van de middag. Het zou snel kouder worden. Ze nam haar vaste route van werk naar huis, de snelste. Haar vriend zat al op haar te wachten in de zon.

Saskia babbelde maar ze luisterde maar met een half oor.  Ze glimlachte snel na een grapje over een wederzijdse vriend. Ongezellig maar ze wilde zich op de weg concentreren. Zo was ze. Ze reed nooit te hard en altijd volop geconcentreerd. ‘Al twintig jaar schadevrij’, kon ze weleens koket zeggen, als iemand haar bespotte om haar behoudende rijstijl.  Normaal nam ze altijd de trein naar haar werk. Omdat ze die dag een vroege afspraak had, besloot ze met haar auto te gaan. Dan was ze ook vroeger thuis en kon het veelbelovende aprilweekend extra vroeg beginnen.

Ze passeerde een rijtje sportfietsers in kleurige pakjes.  Moeders met kinderen in zitjes op de fiets. Een klein jongetje balanceerde op zijn fiets, een fluorescerende oranje vlag stak triomfantelijk boven hem uit. ‘Kijk uit, hier fietst een kwetsbaar jong kindje dat nog niet zo goed kan sturen’,  vertelde het vlaggetje . Ze glimlachte toen ze in  een flits het geconcentreerde gezichtje van het jongetje zag. Gelukkig reed hij veilig op het fietspad. Het was druk op de weg.

De kale bomen langs de weg koesterden zich in de late middagzon. De warmte liet hun knoppen open barsten. Spoedig zou een teer groen waas de al te scherpe vormen van de takken verzachten en uiteindelijk verbergen.  Niets fijners dan de eerste lentedagen.  Ze waren altijd vol met hoop.  Hoe koud, nat of somber de winter ook was geweest, de eerste lentedagen maakte alles in een klap weer goed.

Even opletten nu. Ze naderde een kruispunt.  Haar  afslag was wat onhandig aangelegd wist ze uit ervaring, dus ze haalde haar voet al van het gaspedaal.  Ze wilde haar achterliggers niet nodeloos storen door snel te remmen. Ze remde meestal op de motor. Ze schakelde terug naar haar tweede versnelling. Het was druk:  typische vrijdagmiddagspits. Iedereen had haast naar huis te gaan om dit glorieuze aprilweer te vieren.

‘Wat doet die nou’, hoorde ze zichzelf opeens zeggen.  Of dacht ze het alleen?  Tot haar stomme verbazing zag ze plotseling een groot donker gevaarte van links over de verhoogde tussenberm vliegen. Hij werd gelanceerd, zag ze nuchter. Hij vloog frontaal op haar af. Zo rustig zwevend in de lucht, een halve meter boven de weg.  Het leek wel uren te duren. Uren waarin ze alleen maar kon kijken, zonder te denken, zelfs zonder te  luisteren.

De donkere auto  boorde zich in de neus van haar auto.  Het lawaai was ongekend hard: ijzer op ijzer, stalen motorblok op stalen motorblok, twee bewegende kolossen die met elkaar in botsing kwamen.  Haar autogordel omhelsde haar en brak het sleutelbeen: krak. De airbag blies zich op tussen haar borst en stuur.  Ze hoorde Saskia gillen alsof ze meters verderop zit. Gek was dat.

De airbag. Die had zich opgeblazen tussen haar borst en haar stuur.  Ze hoorde Saskia kermen maar keek niet naar haar.  Ze keek naar rechts. Daar stond de grote zwarte auto.  Hij was totaal verkreukeld. De bestuurder hing met zijn gezicht op zijn stuur.  Ze zwaaide haar portier open.  Het was een wonder dat dat nog kon.  Ze dacht: ‘ik wil alleen maar uitstappen en weglopen. Mijn auto zit in de prak maar ik ga gewoon mijn weekend in.’ Maar ze kon niet uitstappen.  Ze zat vast. Dan eindeloos voortdurende stilte, seconden gingen voorbij alsof het uren waren. Was dit het dan? Het einde van haar leven? Zomaar hier, vandaag? Zonder waarschuwing vooraf? Alsof het niets was?

Toen boog een lichaam zich over haar heen.  Handen grepen haar hoofd vast, haar hals. Ze hoorde een stem, van heel ver weg. ‘Blijf stilzitten, niet bewegen’, zei de stem.  De stem kon haar al niet meer bereiken. Ze vloog weg. Ze spon een cocon van rust en stilte om zich heen.  Een zachte witte wattenwereld verdoofde haar.  Ze werd piepklein, een piepklein deeltje, veilig weg van de rest van de wereld.  Ze kon alleen nog maar kijken. Twee ogen op steeltjes die alles registreerden.  De ogen leken niet meer verbonden met haar hersens. Ze had geen gedachten, ze keek alleen maar….

Minuten, uren, dagen zat ze in haar kleine witte cel. Niets en niemand kon haar bereiken. Toen was het alsof iemand het ijle gaas rondom haar stukscheurde.  Voorzichtig tastende handen raakten haar aan, aaiden haar wangen, haar handen.  Brachten gevoel terug in haar huid, in haar lichaam. Haar ogen maakten verbinding met haar gedachten, met haar hersens. Haar oren gingen weer werken, ze hoorde stemmen, begreep stemmen.  Ze zat nog steeds in haar auto. Rustige warme handen hielden haar vast.

Ze begon te schreeuwen, te huilen. Ze gilde: ‘Dit klopt niet. Dit had nooit mogen gebeuren.  Ik had nooit in  mijn auto moeten zitten. Ik ga altijd met de trein…’ Ze verloor zichzelf in verdriet zoals ze eerder in haar witte cocon kroop. Ze wilde weg . Twee ogen keken in haar ogen, ademden in haar gezicht, fluisterden in haar oren. ‘ Blijf erbij. Kijk me aan. Luister naar mij.  Een verkeerde beweging en je doet je jezelf pijn. Pas op je nek, op je rug. Blijf rustig.  Hier, nu, blijf zitten.’

Opeens was het of ze omringd werd door engelen: brandweermannen, politiemensen en ambulancepersoneel omringden haar auto.  Ze kwamen haar redden. Sneden de wanden van haar auto open. Tilden het dak eraf. Pelden de totaal gesmashte motorkap terug naar voren.  Toen zat ze alleen nog maar in haar stoel.  Tenminste, zo voelde het. Haar gordel werd doorgeknipt. Ze voelde de koude wind blazen. Ze rilde.

Met haar nek en hoofd stevig vast gegord, werd ze op de brancard getild. Ze schoven haar de ambulance in.  Ze herinnert zich dat de politie haar vriend belt met haar mobiele telefoon. ‘Ik heb een auto-ongeluk gehad maar ik leef nog. Kom maar naar het ziekenhuis’, dat zei ze tegen hem. Hij stelde geen vragen. Rende waarschijnlijk meteen naar zijn auto. Onderweg kwam hij de plaats van het ongeluk tegen. Hij zag haar totaal verkreukelde auto staan.

Ze gaf de man een hand.  Hij had maanden moeten wachten op deze ontmoeting. Hij wilde haar meteen na het ongeluk zien en zijn excuses aanbieden. De politie kwam dat aan haar vertellen toen ze weer thuis was uit het ziekenhuis. Ze had daar toen geen behoefte aan. Ze was woedend op wat hij haar had aangedaan.  Om zo haar leven binnen te komen zonder dat zij of haar familie daar iets over te zeggen had.

Met de hulp van Slachtoffer in Beeld was ze nu klaar om hem te ontmoeten.  Ze had twee doelen.  Ze wilde hem zonder interrupties haar verhaal vertellen.  Voor één keer.  Maar belangrijker was de vraag die ze hem ging stellen: dat hij zijn verhaal eerlijk zou vertellen aan zijn familie en vrienden.  Al was er maar één van hen die na het verhaal zou besluiten nooit meer met alcohol achter het stuur te kruipen, dan zou ze al tevreden zijn.

Hanna Terheijden, 46 jaar, beleidsmedewerker

Kortsluiting

‘Hé Ingrid, ga je nog even mee borrelen?’ Haar collega staat naast haar stoel en kijkt haar verwachtingsvol aan. Ingrid logt net uit.  Het scherm floept op zwart. Ze draait rond met haar stoel, staat op en pakt haar tas. ‘Klinkt verleidelijk maar ik kan niet. Ik heb de kinderen dit weekend. Ik moet nog wat dingen voorbereiden.’

Sinds Ingrid en haar man gescheiden zijn, ziet ze haar twee kinderen nog maar één keer in de twee weken. Het is moeilijk. Ze mist ze verschrikkelijk .  Ze leeft van kinderweekend tot kinderweekend. Nu is het zover:  een  heerlijk lang weekend strekt zich voor haar uit. Ze heeft geen plannen gemaakt.  De kinderen bepalen wat ze gaan doen. Soms gaan ze ergens heen, soms niet. De oudste is dol op tekenen en knutselen. Ze helpt haar graag.

Ze fietst door de ijzige wind naar huis. Het lijkt of er sneeuw in de lucht hangt. Het is koud en grijs. Ze rilt ondanks haar warme jas.  Ze fantaseert over morgen. Dan gaat ze de kinderen ophalen bij hun vader. Hij heeft alles gehouden na de scheiding, zo boos was hij. Nog geen theekopje mocht ze inpakken. Zelfs de kinderen bleven als vanzelfsprekend bij hem.

Dat is nu precies een jaar geleden. In de tussentijd heeft ze haar leven toch aardig op orde gekregen. Een baan, een koophuis en een nieuwe vriend.  Het heeft haar maanden gekost om haar nieuwe etage in te richten. Een lange tocht langs Hema’s, Blokkers en Ikea’s heeft ze achter de rug. Veel  meubels heeft ze tweedehands gekocht. Het kost een vermogen om een compleet huis in te richten.

‘Dag schatje, welkom thuis’, zegt haar vriend als ze de deur binnenkomt. Ze gooit haar tas in de hoek, haar jas over de stoel en haar sleutels in de fruitmand.  Hij fronst zijn wenkbrauwen. Haar vriend houdt niet van rotzooi. Ze haalt haar schouders op. Het is haar huis, helemaal van haar alleen.  Ze laat zich echt niet meer koeioneren.

Ze omhelzen elkaar. ‘Hoe was het?’, vraagt hij. ‘Ach ja, werk’, antwoordt Ingrid vrolijk, met wat berusting in haar stem.  Ze heeft het nu eenmaal niet voor het kiezen deze dagen. ‘Ik heb wat films uitgezocht. Misschien willen ze naar de bioscoop.  Die nieuwe film waar ze naar toe wilden, draait om de hoek.’ Ze lacht dankbaar naar hem. Toen hij haar ontmoette, wist hij niet dat hij er twee weekendkinderen bij kreeg. Ze moet zeggen dat hij zich kranig houdt.

Ze duwt hem weg. ‘Wat eten we vanavond’, zegt ze plagerig.  Ze houd zelf niet van koken. Hij heeft de keuken steeds meer op zich genomen. ‘Rijst’, zegt hij, en hij spert zijn ogen open alsof het iets bijzonders is. Ze lacht hem uit. Ze zouden eens niet rijst eten.  In hun huis geen aardappelen of pasta. Rijst met kip, rijst met groenten, rijst met bonen…  ‘Tuurlijk, lekker’,  zegt ze en gaat op de crémewitte driezitter  liggen. ‘Ik ben moe’, mompelt ze. Haar vriend verdwijnt in de keuken.

Na het eten kijken ze gezellig tv en kletsen wat. Een biertje erbij, een flesje rosé open. De avond vliegt voorbij. Om elf uur gaan ze naar bed, zoals ze meestal doen. Haar vriend gaat nog even douchen, dan kan hij beter slapen. Zij poetst alleen haar tanden en plenst wat water in haar gezicht. Ze gooit haar kleren op de stoel.  Ze houdt alleen haar onderbroek aan. Ze trekt het dekbed over zich heen.  Haar ogen vallen al dicht.

 

Opeens hoort ze een hard gepiep. Het is de brandmelder op de gang. Die gaat wel vaker af als haar vriend staat te douchen. ‘Je doucht weer te heet’, roept ze met slaapdronken stem tegen haar vriend. Ze hoort het water stromen. Die hoort haar vast niet. Ze legt het kussen over haar hoofd en probeert weer in te slapen. ‘Piep, piep, piep’, doet het brandalarm. ‘Stom ding’, prevelt ze. Ze is al bijna weer weg…

‘Ingrid’, hoort ze roepen.  De deur van de slaapkamer zwaait open, bonkt tegen de muur. ‘Ingrid, de woonkamer staat in brand’, roept haar vriend. ‘Dat meen je niet’, roept ze. Ze springt uit bed, klaarwakker. Ze wil het licht aanknippen om haar kleren te vinden maar het blijft aardedonker. Klik-klak-klik-klak. Blijkbaar werkt de elektriciteit niet meer.  Al tastend vind ze haar witte badjas en trekt hem aan. Dat moet maar genoeg zijn.

Ze loopt de donkere gang in en botst tegen haar vriend op. ‘Kom op, wegwezen’, roept hij paniekerig.  In haar neus prikt zware rook. In haar ooghoek ziet ze de woonkamer. De vlammen slaan uit haar bankstel, het bankstel waar ze eerder nog op heeft liggen dutten. De gordijnen waaien in de vlammen omhoog. Vuur kruipt over de vloerbedekking als een moordzuchtig monster.  Er is geen redden meer aan.

Ze duwen tegen de voordeur maar die zit op slot. Voordat ze naar bed ging, had ze de deur nog dichtgedraaid.  Het slot is niet al betrouwbaar en er wordt vaak ingebroken in haar buurt. ‘Waar is de sleutel’, vroegen ze tegelijkertijd aan elkaar.  Koortsachtig doorzoeken ze de zakken van haar jas, zijn spijkerbroek op de stoel.  ‘Naast het gasfornuis’, roept hij. Hij rent naar de keuken maar daar ligt de sleutelbos ook niet. ‘Ze liggen in de woonkamer’,  gilt ze, in paniek rakend. Daar kunnen ze nooit meer bij. Hoe komen ze eruit?

Ze blijft stom bij de deur staan.  Haar vriend loopt weer naar de keuken die nog vlammenvrij is.  Ze hoort bonzen op de voordeur. Ze bonst terug. Ze roept schor: ‘Help ons, we zitten vast.’ Ze hoort geen antwoord. Alleen maar gebons. Dan komt haar vriend terug.  ‘Ingrid, kom mee, we gaan door het keukenraam naar buiten.’ Godzijdank wonen ze op de beletage en niet driehoog. Ze volgt hem gedwee. Terwijl ze uit het raam klauteren en via de bloempotten op straat terecht komen, hoort ze glasgerinkel.  De ramen springen kapot in de hitte.

Ze staan op hun blote voeten in de vrieskou. Ingrid in haar badjas, haar vriend in zijn haastig aangetrokken boxershort met vrolijke palmboompjes erop. Daar zijn hun overburen. Die runnen een coffeeshop aan de overkant en zagen dat het huis in brand stond.  Zij bonsden minutenlang op de deur om hen wakker te krijgen. Ze nemen ze mee naar binnen, weg van het fikkende huis. De vlammen slaan nu hoog op uit de ramen. De gordijnen waaien in kleurige vlammen door de gebroken ruiten.  Raar dat het zo stil is, merkt ze op, brand kan je niet horen. Ze kan er ook niet naar kijken.

Laat nu uitgerekend deze avond de brandweer staken in Rotterdam. Na vijftien minuten komt eindelijk de brandweerwagen de straat binnenrijden, compleet met sirene.  Ze zijn  vanavond bemand door stadswachten, hoort ze later.  Het lijkt uren te duren voordat de geïmproviseerde brandweer de slang aangesloten krijgt op een brandkraan.  Ondertussen gaat haar mooie koophuis in vlammen op.

Die nacht slapen ze bij haar zwager. De volgende dag krijgen ze de sleutels van een tijdelijk huurhuis, verzorgd door haar brandverzekering.  Ze mag haar eigen huis niet binnen. De boel is verzegeld. Ze willen eerst uitzoeken hoe de brand is ontstaan.  Van de brandweerinspectie hoort ze waarom haar huis in vlammen op is gegaan. ‘Kortsluiting in het verlengsnoer’, zegt de inspecteur, ‘u had veel te veel apparaten aangesloten op de stopcontacten.’ Hij kijkt haar streng aan.

Haar huis is oud, stamt uit 1903. In haar woonkamer waren maar twee stopcontacten. Om de tv en de video, de computer en de staande lampen aan te sluiten, had ze verlengsnoeren gebruikt waarin je wel zes stekkers tegelijk kunt steken.  ‘De kerstverlichting’,  stamelt ze schuldbewust.  Dat was  natuurlijk de bekende druppel  geweest.  De brand in de stekkerdoos is overgeslagen op haar driezitsbank en is om zich heen gaan woeden.

Pas na een week mag ze haar huis weer betreden. Ze laat de dichtgetimmerde voordeur even openstaan want het stinkt verschrikkelijk. Bovendien is het schemerig door de dichtgetimmerde ramen. Ze ziet de gesmolten en geroosterde elektriciteitskast met verwrongen draden.  De zwartgeblakerde muren. Bestaat er een dieper modderiger zwart? Ze moet zich een weg banen door lange roetdraden en roetwebben, een spookhuis is het geworden.  De brandweer had haar al gewaarschuwd dat roet de neiging heeft lange draden te vormen.

Zij adviseerden haar ook kaplaarzen aan te trekken. Op de grond ligt een dikke laag vieze natte smurrie. De bankstellen in de woonkamer zien eruit als twee rampzalige verkoolde barbecues. Alles, werkelijk alles, is kapot, weg, zwart, gesmolten. Geen foto, geen souvenir, geen bankpasje, geen diploma, geen speelgoed, geen schoen is er meer over. Ze zal weer helemaal overnieuw moeten beginnen.

Het is nu zes jaar later maar die nacht is Ingrid nooit meer vergeten.  Met het geld van de verzekering kon ze haar huis weer in orde krijgen. Ze haalde vijf containers verbrande troep uit haar huis. ‘Ik wist niet eens dat ik alweer zoveel verzameld had.’ In elke kamer hangt nu een goede rookmelder. Voor één ding is ze nog steeds dankbaar. ‘Dat de kortsluiting niet een dag later ontstond. Stel je voor dat mijn kinderen thuis waren geweest….’

Ingrid Snijders, 42 jaar, vrijwilliger EHBO